T. Koppenol1*, E.I. Zandt2
Rijkswaterstaat Zee & Delta, Kustlijnzorg
tom.koppenol@rws.nl
Introduction
Rijkswaterstaat en commerciële zandwinbedrijven vertegenwoordigd door Stichting LaMER winnen jaarlijks 20–30 miljoen m³ zand uit de Nederlandse Noordzee voor kustonderhoud en ophoogzand voor de bouw en infrastructuur. Deze winning is essentieel voor waterveiligheid en ruimtelijke ontwikkeling, maar beïnvloedt ook de mariene ecologie, waaronder benthos, schelpdierbanken, voedselwebben en vogelhabitats. De huidige ontgrondingenvergunning van RWS Kustlijnzorg vervalt eind 2027; daarom wordt een nieuwe Milieueffectrapportage (MER) opgesteld voor de periode 2028–2037. Het onderzoeks- en monitoringsprogramma MEP Zand uit Zee 2018–2027 vormt hierbij een cruciale kennisbasis, met studies naar rekolonisatie, slibdynamiek, schelpdierbanken en effecten op soorten zoals de zwarte zee‑eend. Recente resultaten uit het MEP — in combinatie met aanvullende MER‑onderzoeken naar slibverspreiding, geologische geschiktheid van nieuwe winlocaties en ecologische effectbepaling — verschaffen een geïntegreerd beeld van de ecologische respons op grootschalige zandwinning in de Noordzee.
Deze bijdrage presenteert de belangrijkste bevindingen, kennisleemtes en implicaties voor de nieuwe MER, en schetst hoe de MEP‑resultaten worden vertaald naar beleid, mitigerende maatregelen en toekomstige monitoring.
Objective and Methods
Het doel is tweeledig: (1) integreren van kernresultaten van MEP Zand uit Zee 2018–2027; en (2) laten zien hoe deze kennis de nieuwe MER‑zandwinning 2028–2037 inhoudelijk aanscherpt.Het MEP omvat vier hoofdthema’s.
Rekolonisatie: Een BACI‑experiment (2025–2030) koppelt benthische herstelpatronen aan hydrodynamiek, korrelgrootte en bodemmorfologie, mede gebaseerd op chronosequenties van eerdere winlocaties.
Zwarte zee‑eenden: Telemetrie brengt migratieroutes, foerageergedrag en habitatkeuze in kaart en wordt gekoppeld aan een energetisch model (SCOTERS), dat voor verschillende combinaties van diepte, stroming, slibdynamiek en verstoring de energetische haalbaarheid en draagkracht berekent op basis van Spisula‑distributie en AIS‑scheepvaartdata.
Fijn sediment: MEP‑studies, ondersteuning van onderzoeksprogramma OR-ELSE, en aanvullende MER‑onderzoeken (Deltares) actualiseren de bronterm en slibmodellen en analyseren de keten bron–transport–impact, en evalueren maatregelen om slibpluimen en far-field effecten te beperken.
Schelpdierbanken: Multibeam backscatter (MBES) en machine-learning worden getest voor niet‑invasieve detectie van schelpdierbanken en rifstructuren. Op basis van meerjarige data is voor Spisula subtruncata een werkdefinitie van een schelpdierbank afgeleid, en gekoppeld aan functionele criteria als voedselbron voor zwarte zee‑eenden.
Voor de MER zijn aanvullende onderzoeken gestart naar geologie, slibverspreiding en ecologische effecten, door middel van literatuurstudies en veldwerkcampagnes. Alle resultaten worden geïntegreerd in een effectbeoordeling van natuur, milieu en gebruiksfuncties.
Results
Rekolonisatie: Chronosequentiemetingen tonen herstel van benthos, maar met grote variatie afhankelijk van diepte, sedimentherverdeling en putmorfologie; in diepere winningsputten kan herstel langdurig of incompleet blijven. Lopend BACI‑onderzoek zal dit verder concretiseren.
Zwarte zee‑eenden: Telemetrie wijst op grotere flexibiliteit van overwinterende populaties dan eerder aangenomen, maar habitatkeuze blijft gestuurd door een samenspel van voedselbeschikbaarheid, verstoring en sedimentstructuur — met implicaties voor ruimtelijke zonering van winactiviteiten.
Fijn sediment: Analyse bevestigt dat het model 2017 onvolledig is, maar deels bruikbaar blijft afhankelijk van actuele slibconcentraties. Maximaal ~70% van de fijne fractie draagt werkelijk bij aan vertroebeling, en diepe winputten kunnen netto als slibsink functioneren; onzekerheden in slibpercentages, valsnelheid en achtergrondconcentraties bepalen de MER‑scenario’s. Innovaties in zandwintechnieken zijn beperkt; diverse mitigerende maatregelen blijken al effectief.
Schelpdierbanken: MBES is geschikt voor detectie van schelpdierbanken, kokkelwormriffen en sedimentstructuren, maar vraagt nog extra veldvalidatie voor operationeel gebruik.
Geologie & slibverspreiding: MER‑onderzoek verfijnt potentiële winlocaties door geologische dataarmoede te verkleinen en slibverspreiding realistischer te modelleren.
Ecologische effecten: resultaten tonen dat zandwinning directe (bodemverstoring) en indirecte effecten veroorzaakt (sedimentdynamiek, habitatverlies). Effectgroottes zijn vaak lokaal beperkt, maar ecologische marges klein, vooral bij benthosrijke habitats en voedselafhankelijke soorten. Integratie van MEP‑kennis resulteert in scherpere MER‑beoordelingen en beter onderbouwde mitigatie.

logo zanduitzee.nl
References
Bai, Q., et al. (2024). Mussel culture monitoring with semi-supervised machine learning on multibeam echosounder data using label spreading.
Bai, Q., et al. (2025). Accurate Mapping of an Extended Shell Bed Area in the North Sea with Multi-spectral Multibeam Backscatter Data.
Bai, Q., et al. (2026). Unsupervised seabed habitat change detection with multibeam backscatter data using a constrained Gaussian mixture model.
Bai, Q. (2026). Multi-frequency Acoustic Mapping of Marine Benthos: Data-driven Multibeam Classification in the Dutch North Sea.
Bakker, E.G.R., et al. (2025). BACI macrozoöbenthos bemonstering ZanduitZee – T0 2025..
Camphuysen, C., & Lieshout, S., (2025). Zwarte zee-eenden melanitta nigra in Nederland.
Craeymeersch, J.A., & Velilla, E., (2024). Shellfish aggregations in the Dutch waters: an exploration towards a definition of a shellfish bed.
Van Kessel, T., et al. (2026). Redeneerlijn slib.
Leewis, L., & van Driel, H., (2025). Inventarisatie van technische oplossingen om slibpluimen bij zandwinning te voorkomen.
Leewis L., et al. (2024), Chronosequentie rapportage boxcore-campagne.
Rozemeijer, M.J.C., et al. (2026). A review on the ecological impacts of sand extraction.
Witbaard, R. & J. Craeymeersch, (2023). Littekens op de zeebodem. Een onderzoek naar de faunistische effecten op lange termijn van diepe zandwinning voor de Nederlandse kust.


